Op 29 september organiseert de WFRG een MAP op het landgoed "de Lorrekorf" in Putten.

De Flatcoated Retriever is een geboren jachthond

De Flatcoated Retriever is een geboren jachthond. Het belangrijkste vonden de oorspronkelijke fokkers het vinden van het wild na het schot: een goede neus en zacht in de bek. Qua karakter mocht het geen eigenwijze hond zijn, noch hard, maar een gezeglijk zacht karakter dat goed samenwerkt met de baas en het dode en aangeschoten wild makkelijk ter hand stelt. In dit artikel introduceert Johan van Middelaar de Flatcoated Retriever  als geboren jachthond: waar komt de flatcoat vandaan, tips voor de training en wat u er nog meer mee kunt doen.

Ik heb een echte flatcoat!
Het oorspronkelijk doel van de fokkers, zo rond 1880, was “een elegante Retriever, geschikt voor het werk tijdens deftige jachtpartijen op de Engelse landgoederen”. Veel van de oorspronkelijke zaken zien we nog steeds bij de Flatcoated Retriever van vandaag, waarbij het de vraag is of de toentertijd minder gewenste “eigenwijsheid” inderdaad is gelukt. Opvallend is de altijd kwispelende staart en de enorme dosis aan enthousiasme en energie. De Flatcoated Retriever wordt voor uiteenlopend sporten of werk gebruikt, zoals gedrag en gehoorzaamheid, behendigheid, speurwerk en reddingswerk. In al deze takken blinken ze uit in de sociale omgang met mens en dier. In dit artikel wordt met name ingaan op de kwaliteit van de Flatcoated Retriever als jachthond.

Oorsprong
De oorsprong van de Flatcoated Retriever ligt in Engeland. Hier werden zij gebruikt om aangeschoten en dood wild te apporteren. Op jachtdagen kwamen veel honden met elkaar in aanraking. Een vriendelijk en sociaal karakter was daarom een eerste vereiste. Ook moesten zij graag te water gaan en moeiteloos dichte dekking overwinnen zoals bramen en brandnetels. De basisingrediënten voor de Flatcoat zijn naar alle waarschijnlijkheid de St. Johns Dog, Spaniëlvariëteiten, Pointers en Setters. Door deze honden met elkaar te kruisen en hier weer selectie op toe te passen kreeg men honden die graag te water gingen, goede apporteerlust en een uitstekende neus hadden.

Het belang van exterieur ofwel uiterlijke kenmerken
Kenmerkend voor de Flatcoated Retriever is dat deze ‘dual purpose’ is, waarbij er qua exterieur geen verschil is tussen ‘werklijnen’ en ‘showlijnen’. Een goedgebouwde rastypische Flatcoat is mooi en doelmatig tegelijk. De Flatcoat is een vrolijke en actieve hond van middelmatige grootte, met een intelligente uitdrukking, die kracht toont zonder grofheid en snelheid uitdrukt zonder iel te zijn. De eisen voor het exterieur zijn gebaseerd op de geschiktheid voor de jacht, wat zoveel betekent dat een hond met correct exterieur per definitie goed uit de voeten kan in het jachtveld. De standaard is vastgesteld met de gebruikswaarde als uitgangspunt. Zo moet het hoofd lang en mooi gevormd zijn, waarbij de neus goed ontwikkeld moet zijn met wijde neusgaten. De kaken moeten lang zijn en sterk en daardoor geschikt om een haas of fazant te dragen. De ogen moeten goed aangesloten zijn om vuil vanuit de dekking niet toe te laten, oren middelmatig groot en vlak aanliggend om de gehoorgang te beschermen tegen vocht en kou. De hals moet evenredig zijn en schuin overgaan in de schouders met een goede overgang naar de rug, waardoor een gemakkelijke zoekhouding in het jachtveld wordt bevorderd. In de voorhand moet de borst moet diep zijn en tamelijk breed, met een duidelijke voorborst, waarlangs de ellebogen zich vrij en gelijkmatig moeten kunnen bewegen. De achterhand moet goed gespierd zijn. De knie en de hak moeten gematigd gehoekt zijn, de laatste laag bij de grond. Hij moet in elk opzicht correct staan. Het gangwerk moet vlot en stuwend zijn, recht en krachtig, zowel gezien vanuit de voorhand als de achterhand. Deze bouw zorgt voor functioneel en effectief bewegen tijdens zijn werk als jachthond. De vacht moet dicht zijn, van fijne tot middelfijne structuur en goede kwaliteit en zo glad mogelijk, met als hoofddoel optimale bescherming bieden voor dichte dekking, alle weersomstandigheden, en isolatie en luchtopname (drijfvermogen) tijdens het zwemmen. De kleur is zwart of leverkleurig.

De omschrijving van gehele constructie c.q. bouw (hoekingen en gangwerk) dient ervoor dat de hond met minimale inspanning het maximale eruit kan halen. Een hond die de hele dag mee gaat op jacht zal veel baat hebben bij een doelmatige bouw, waardoor hij efficiënt omgaat met zijn energie. De aspecten die wellicht een minder belangrijke rol spelen, zoals de mate van de stop, oogkleur en mate van elegantie die een Flatcoat moet hebben, zijn wel weer van groot belang als het gaat om rastype. Een Golden- Labrador en Flatcoated Retriever zijn allen voor het zelfde doel gefokt, maar het zijn juist die details die de rassen onderling opsplitsen.

Het trainen van de Flatcoat
Het trainen van de Flatcoated Retriever is niet altijd even gemakkelijk en geduld is een absolute voorwaarde. De eerste algemene vereiste voor een Flatcoated Retriever in het jachtveld is het contact tussen baas en hond en de wil om voor de baas te werken, ook wel “will to please” genoemd. Typisch voor de Flatcoat is dat de voorjager nog wel eens verrast wordt door zijn zelfstandigheid of eigenwijsheid, en de hond soms geheel andere dingen doet dan wat de bedoeling van de voorjager was. De Flatcoat is geen type hond om hard aan te pakken, al zijn er uitzonderingen. Door vanaf het begin consequent te zijn en duidelijke regels te hanteren kan zijn tomeloze energie en passie in goede banen worden geleid. Daarnaast is de Flatcoat een echte charmeur, wat zo’n consequente aanpak nog wel eens moeilijk maakt, vooral als de hond “net even zo lekker en enthousiast bezig is, want dat wil je dan ook weer niet afremmen”. Wees gerust, een Flatcoat is niet zo gauw ontmoedigd, mits goed aangepakt op het juist moment. Dat geldt uiteraard voor alle soorten jachthonden, maar voor de Flatcoated Retriever wel in het bijzonder, omdat de Flatcoat – in vergelijking met de Golden en Labrador - pas laat volwassen is. Dit gegeven is iets waar de voorjager van de Flatcoat terdege rekening mee moet houden, vooral als het gaat om het verschil tussen hetgeen de hond werkelijk kan en de eigen ambitie van de voorjager c.q. de wil om te scoren. Als de Flatcoat wordt overvraagd zal het vertrouwen in de voorjager afnemen en de prestaties zullen navenant verminderen. De beste prestaties worden doorgaans pas bereikt vanaf het vierde of vijfde jaar, en soms zelfs nog later. 

Naast het feit dat de Flatcoated Retriever veel werklust heeft, is er ook een gevoelige kant. Zo kan de Flatcoat het vertrouwen in de voorjager gemakkelijk verliezen als hij te hard wordt aangepakt, of op het verkeerde moment, of als er dingen van de hond worden gevraagd die deze nog niet volledig beheerst. Wat het trainen nog lastiger maakt, maar gelukkig door veel voorjagers als uitdaging wordt gezien, is dat de Flatcoat ook wel eens doet alsof deze een commando voor het eerst hoort en alle training spontaan ‘vergeten’ lijkt te zijn. “Gewoon negeren en de volgende dag opnieuw doen” is dan het devies, want het behoud van het vertrouwen baas en plezier in het werk en samenwerking zijn absolute basisvoorwaarden.


Balans en steadiness
Zowel in de training maar vooral tijdens de jacht en wedstrijden is steadiness onontbeerlijk. De steadiness is iets waar de Flatcoat in het algemeen minder goed bekend om staat. Zijn enorme passie en extraverte temperament brengen met zich mee dat onrustig postgedrag vaak op de loer ligt. Bij de Flatcoat is het van belang om de juiste balans te vinden tussen de steadiness enerzijds en het beheersen en ‘sturen’ van die passie anderzijds. In hoeverre de steadiness wordt bepaald door erfelijke aanleg of door het milieu (lees: de voorjager) is nog de vraag. Waar weinig discussie over is, is dat steadiness veel voordelen kent. Het eerste is dat de hond geconcentreerd is en het wild goed kan zien vallen, markeren en onthouden. Hiermee wordt één van de beste kwaliteiten van de Flatcoat verder versterkt, namelijk zijn markeervermogen. Menig voorjager of omstander heeft zich vergaapt aan fantastische markeerapporten op letterlijk enkele honderden meters afstand: de Flatcoated Retriever doet het ‘on the spot’. Een ander voordeel van steadiness is dat je als voorjager mee kunt markeren en onthouden, simpelweg omdat de hond geen aandacht vraagt. Dus áls de hond dan een keer niet goed heeft gemarkeerd dan kan de voorjager meteen bijsturen. Een voordeel van heel andere orde, maar die goed past bij de elegantie van de Flatcoat, is de fysieke presentatie van voorjager en hond aan de jachtheer en de geweren in het veld. Niets is zo mooi als een Flatcoat die steady is, goed markeert, uitgaat op commando in de aangewezen richting en snel en effectief het wild vind en ter hand stelt. Een mooie werkstijl maakt het ideale plaatje compleet. Last but not least, qua wedstrijden is het voordeel van steadiness dat je mee kunt doen aan veldwedstrijden en aan internationale wedstrijden, waar (onder andere) onrust, piepen en inspringen fouten zijn die tot uitsluiting leiden.

De Flatcoat op wedstrijden
Meer dan een eeuw geleden was de Flatcoated Retriever een jachthond voor de elite. Na een periode van relatieve stilte kwamen de eerste Flatcoated Retrievers begin jaren ’70 weer op de (veld) wedstrijden in Nederland. In 1974 haalde de eerste Flatcoat een A-diploma en kwamen ook de uitnodigingen voor de Nimrod voor Heronsflight Trust (“Tallo”) van Leonie Galdermans en Brittannic Black Berry (“Sukey”) van Marieke van Egmond. Sukey schreef historie door met 231 punten van de 300 punten de Nimrod te winnen. Ook in de jaren erna deed de Flatcoat mee om de prijzen, maar werden geen AA-diploma’s gehaald. Tot 1987. In dat jaar herhaalde Theo Verveer het huzarenstukje om de Nimrod te winnen met Heer Olaf van de Helmarborg. Acht jaar later herhaalde Theo deze presentatie met de zoon van Olaf, genaamd Olaf Brent of a Quit Spot (“Brent”). Waarlijk een fantastische prestatie, waarmee hij niet alleen zichzelf maar ook de Flatcoated Retriever uitstekend presenteerde.

Het leek wel of de prestaties van Theo veel Flatcoat eigenaren inspireerden, want er kwamen sindsdien steeds meer Flatcoats op wedstrijden. Tegelijkertijd namen gaandeweg de mogelijkheden af om mee te gaan op jacht, omdat de jacht in Nederland steeds meer aan banden werd gelegd. Omdat meegaan op jacht min of meer een voorwaarde is om goed te presenteren op veldwedstrijden bleef het aantal Flatcoats op die wedstrijden beperkt, al waren ze er wel. Inmiddels kwamen er nieuwe soorten wedstrijden en proeven, zoals workingtesten en certificaatdagen en - nog later - de Meervoudige Apporteerproeven (MAP’s). Tot op de dag van vandaag doen hier veel Flatcoats aan mee en vallen regelmatig in de prijzen.

De Flatcoat in de jachtpraktijk
Voor veel mensen is het een feit dat deze weinig mogelijkheden hebben om met de Flatcoated Retriever mee te gaan op jacht. De meest voorkomende apporterende honden zijn de Labrador Retriever en de Golden Retriever. Die honden zijn relatief eenvoudiger te trainen dan de Flatcoat, en kunnen ook op jongere leeftijd al worden ingezet in de praktijk. Mede daardoor worden Flatcoats nog relatief weinig gezien in het jachtveld, al zijn ze er wel. In het jachtveld valt de Flatcoat vooral op door de stijl van werken en zijn elegante manier van bewegen. Menig gastheer en geweer is verrast door de Flatcoat met fantastische markeerapporten, waterwerk en nazoeken. Ook is het setterbloed in de aderen van de Flatcoat soms terug te zien, want de Flatcoat wil nog wel eens ruim veld nemen en met een hoge neus werken. Ze werken daarbij meer op de wind dan op de geur van de grond. Bij gelegenheid wil de Flatcoat ook nog wel eens neigen tot voorstaan.

Net zoals bij de training van de Flatcoat is het in de jacht van belang om de ervaring geleidelijk op te bouwen. Zoals boven al beschreven gaat het hierbij om de balans tussen steadiness enerzijds en het behoud van werklust anderzijds. Als de Flatcoat veel ruimte krijgt, dan zal die deze ruimte ook nemen, wat vaak leidt tot onrustig gedrag, zoals inspringen en piepen, omdat zij hun passie moeilijk kunnen beheersen. Dit is ook te wijten aan het feit dat de Flatcoat de vrolijke Frans onder de Retrievers is en een meer uitbundig en temperamentvol karakter heeft dan de andere Retrievers.

Voorop gesteld dat de voorjager de mogelijkheid heeft om ervaring in de praktijk op te bouwen zijn er diverse mogelijkheden. Eén van de meest ideale posities om de Flatcoat kennis te laten maken met de praktijk is een post (ver) achter de geweren. De hond kan het tafereel dan letterlijk van een afstandje bekijken en wennen aan beeld en geluid. Waar je mag staan als picker up heb je op een jacht echter niet altijd in de hand, meestal niet zelfs. Om veiligheidsredenen worden de pickers up vaak in de linie tussen de geweren geplaatst, waardoor de geweren een vrij schootsveld hebben in alle richtingen. Eenmaal tussen de geweren gepositioneerd valt het wild zowel dichtbij als ver weg. Vooral voor een jonge Flatcoat is het dan moeilijk om die zieke fazant als eerste te halen, die per definitie ver weg valt, als er al diverse stukken wild kickdood dichtbij liggen en die dan genegeerd moeten worden, want het zieke wild moet als eerste binnenkomen. Dergelijke situaties kunnen ook leiden tot apporten die ongunstig zijn voor het behouden van de steadiness. Denk dan bijvoorbeeld aan het apporteren van een gewiekte fazant. Vaak is meteen na het schot al te zien dat een fazant gewiekt is, of een “hangpoot”, en dat deze ver zal uitzeilen. Om dát apport binnen te krijgen zal de hond soms moeten worden ingezet vóórdat de fazant de grond raakt, want eenmaal op de grond zet deze “runner” het op een lopen en is dan razendsnel in de dekking verdwenen. Als de hond wordt ingezet op een dergelijk apport kan vooral een Flatcoat heel snel ”leren” dat hij meteen mag vertrekken als een stuk wild is beschoten, wat leidt tot een verhoogde kans op inspringen bij het volgende schot.
 
Er zijn enkele mogelijkheden om dergelijke situaties te voorkomen of te minimaliseren. Eén daarvan is om de jonge Flatcoat slechts op enkele driften in te zetten, aangelijnd voor te jagen, of – zoals meer gebruikelijk – met meerdere honden te werken. Aangelijnd voorjagen is niet praktisch, want vooral de Flatcoat leert binnen enkele keren dat “lijntje afdoen” hetzelfde betekent als “apporteren”. Een optie is dan om de hond wisselend aan- en  af te lijnen, waarbij het de truc is om daar voor de hond géén logica in te hebben. Het werken met een tweede losse halsband (naast het jachtlijntje) kan uiteraard ook, waardoor de hond in de veronderstelling is dat hij nog aangelijnd is. Dat heeft echter ook een nadeel, namelijk dat de hond – bijvoorbeeld in dichte dekking – vast kan raken.

Het werken met twee (of meer) honden is in de praktijk een meer praktische en betere optie, ook wel “dual handling” genaamd. Daarnaast is het effectiever want elke hond zal zijn eigen specialiteit hebben, waardoor de kans op het binnenkrijgen van het wild groter wordt. Zo kan één hond bijvoorbeeld geweldig goed markeren en onthouden, terwijl de andere een specialist is in het werken in dichte dekking, bijvoorbeeld in de bramen. Afhankelijk van waar het wild valt kan dan de beste hond worden ingezet. Dit vraagt uiteraard aanzienlijk meer training en aandacht. Postgedrag, heelwork en aandacht voor de baas worden dan nog belangrijker, en het werken met lijntjes en aanraken van de hond is dan helemaal uit den boze. Oogcontact en stemgebruik zijn dan de enige instrumenten waarmee de voorjager werkt. En dan de laatste tip voor de Flatcoat, zijnde dat het soms handig is om de hond aan te lijnen voordat hij overenthousiast wordt en zichzelf helemaal voorbij loopt. Want voor een Flatcoat is er maar één passie: werken. En hij zal blijven werken tot hij er bij neervalt.

Voor publicatie van dit artikel is toestemming verleend door de auteur.